De Zoetermeerse gemeenteraad werkt gestaag door aan een stevige, herkenbare toegang tot jeugdhulp. Met het raadsvoorstel Doorontwikkeling lokale teams en organisatie Jeugd en Onderwijs wordt de volgende stap gezet: acht wijkgerichte teams, één herkenbare regisseur per gezin, en nadruk op normaliseren in plaats van medicaliseren. Het voorstel is op 8 september in de commissie Samenleving besproken en wordt (met een kleine aanpassing) als hamerstuk geagendeerd voor de raadsvergadering van 22 september 2025. VVD-raadslid Rob Duiven plaatste het voorstel nadrukkelijk in de reeks besluiten die de raad eerder nam: ‘De Zoetermeerse VVD heeft eerder deze raadsperiode haar steun al uitgesproken voor het opzetten van lokale teams. We onderschrijven die lijn nog steeds en we zien het voorliggende voorstel als een logisch vervolg op die eerder genomen beslissingen’.
Tegelijk waarschuwde hij tegen onnodige herhalingen: ‘Het raadsvoorstel bevat naar onze overtuiging dublures met besluiten die deze raad al eerder heeft genomen. Dat is politiek kwetsbaar en strikt genomen onnodig. Inhoudelijk staat hier een goed plan voor een solide en herkenbare reorganisatie’. De wethouder beaamde dit in haar reactie en gaf aan hier in de toekomst rekening mee te houden.
De lijn is klassiek en helder: hulp zo veel mogelijk dichtbij en laagdrempelig, met professionals die zelf lichte ondersteuning kunnen bieden en pas opschalen naar specialistische jeugdhulp wanneer dat aantoonbaar nodig is. Dat voorkomt onnodige etiketten en verkokering, en vergroot de kans dat gezinnen zélf weer verder kunnen. De kern van de operatie: acht lokale teams met een fysieke plek in de wijk. Daarmee worden gezinnen sneller geholpen, met één aanspreekpunt dat overzicht houdt en regie voert op effectiviteit van de hulp. Duiven vat die uitgangspunten zo samen: ‘Dichterbij georganiseerd, met één regisseur en een nadruk op normaliseren. Precies de uitgangspunten die wij al eerder hebben bepleit en gesteund‘.
Naast de inhoud kijkt de VVD scherp naar de uitvoering. De financiële onderbouwing laat, na aanloop, ruimte voor structurele besparing door minder dure, langdurige trajecten en meer eigen professionele inzet in de voorkant. Duiven: ‘Financieel vinden wij de businesscase verdedigbaar, maar de haalbaarheid hangt af van een strakke sturing, de kwaliteit van de personele bezetting en een goede juridische borging. Scherp geformuleerde indicatoren en een gefaseerde opschaling maken het realistisch om binnen twee à drie jaar richting de beoogde 5 miljoen structurele besparing te groeien, zónder de continuïteit en kwaliteit van zorg af te breken‘. Daar hoort bestuurlijke discipline bij. Duiven vroeg de wethouder daarom om concreet te zijn: ‘Hoe gaat de wethouder sturing geven op de uitvoering: op inhoud, timing en het halen van de financiële doelstellingen? Hoe houdt zij greep op het proces en die doelstellingen?‘.
De VVD waardeert dat het voorstel risico’s in het voorstel open en eerlijk benoemt (continuïteit tijdens de transitie, personele werving, aansluiting op regionale inkoop, ICT-randvoorwaarden) én mitigerende maatregelen schetst. Duiven daarover in debat: ‘Risico’s maken je misschien onrustig, maar het feit dat ze benoemd staan, geeft mij rust. Stap één in beheersen is het onderkennen én het opschrijven van mitigerende maatregelen‘. In dezelfde geest vroeg hij aandacht voor kwaliteitsborging van de zorg: ‘We hebben eerder afgesproken om vooral in te zetten op bewezen succesvolle trajecten. Dat geeft niet op elk moment volledig inzicht, maar zorgt er wel voor dat de interventies potentieel aantoonbaar werken‘.
Tot slot benadrukte Duiven het belang van keiharde monitoring tijdens de uitvoering: ‘De wethouder heeft aangegeven dat ‘keihard’ te zullen monitoren. Dat is weliswaar geen toezegging, maar het schept een duidelijke verwachting en dáár zal ik de wethouder ook ‘keihard’ op monitoren‘.