Tijdens de eerste verhoren van de parlementaire enquêtecommissie over de coronacrisis viel één formulering nadrukkelijk op: ‘Met de kennis van nu…’. Op het eerste gezicht lijkt dat een logische vraag. Achteraf weten we immers meer. Er zijn meer onderzoeken, meer cijfers en meer inzichten. Toch schuilt naar mijn mening juist daarin een fundamenteel probleem. Deze manier van vragen stellen kan het zicht op de werkelijkheid van bestuurlijke besluitvorming eerder vertroebelen dan verhelderen.
Bestuurders, ook die op lokaal niveau, nemen besluiten namelijk niet met de kennis van nu. Zij nemen besluiten met de kennis van toen. Dat is de essentie van besturen, met name in tijden van onzekerheid. Zeker in de eerste maanden van de pandemie waren veel cruciale feiten nog onbekend. Hoe gevaarlijk was het virus precies? Hoe snel zou het zich verspreiden? Welke maatregelen werkten werkelijk? En welke maatschappelijke schade zouden die maatregelen veroorzaken?
De vraag of iemand met de kennis van nu andere keuzes zou maken, is daarom vaak weinig meer dan een uitnodiging tot speculatie. Natuurlijk zou men achteraf sommige besluiten anders nemen als men de uitkomst al kende. Een belegger die weet hoe de beurs zich ontwikkelt, belegt anders. Een coach die de eindstand kent, stelt zijn elftal anders op. Een bestuurder die de toekomst kent, bestuurt anders. Maar juist die kennis was er toen niet.
Daarmee verschuift naar mijn mening de aandacht van de vraag die werkelijk relevant is: waren de gemaakte keuzes destijds redelijk op basis van de informatie die toen beschikbaar was? En zijn de mogelijkheden om die informatie te verkrijgen onder de toen geldende omstandigheden optimaal benut? Dat is de maatstaf waarop bestuurders behoren te worden beoordeeld! Niet op hun vermogen om de toekomst te voorspellen, maar op hun vermogen om onder onzekerheid zorgvuldig af te wegen.
Bovendien bevat de formulering een subtiele vorm van wijsheid achteraf. Zodra de afloop bekend is, lijken alternatieven vaak vanzelfsprekend. In de psychologie staat dat bekend als hindsight bias: de neiging om achteraf te overschatten hoe voorspelbaar een gebeurtenis was.
Een parlementaire enquête moet lessen trekken voor de toekomst. Dat is waardevol en noodzakelijk. Maar lessen ontstaan niet door het verleden te beoordelen met kennis die toen nog niet bestond. Zij ontstaan door zorgvuldig te onderzoeken welke informatie beschikbaar was, welke onzekerheden meespeelden en welke afwegingen zijn gemaakt.
De meest relevante vraag luidt daarom naar mijn mening niet: ‘Met de kennis van nu, wat had u anders gedaan?’ Maar: ‘Was dit, met de kennis van toen, een verdedigbare beslissing?’ Pas dan ontstaat, met dìe kennis van nu, werkelijk inzicht over hoe onder vergelijkbare omstandigheden de besluitvorming beter kan plaatsvinden.
Deze column geeft de mening van Rob Duiven weer en niet het standpunt van de (fractie van de) Zoetermeerse VVD