Gemeenten zijn er dol op. Participatie. Bewonersavonden, klankbordgroepen, digitale enquêtes, meedenksessies, wijkgesprekken en tegenwoordig ook burgerberaden. Wie de gemeentelijke communicatie leest, zou bijna denken dat de oplossing voor ieder maatschappelijk vraagstuk begint met een uitnodiging om mee te praten. Ook in Zoetermeer is participatie inmiddels een vast onderdeel van veel projecten. Of het nu gaat om woningbouw, de inrichting van een park of de toekomst van een wijk: inwoners worden steeds vaker gevraagd om hun mening te geven. Dat is op zichzelf een goede ontwikkeling. Wie de mensen betrekt die dagelijks met een besluit moeten leven, krijgt vaak betere ideeën en meer inzicht in wat er speelt.
Toch is het naar mijn overtuiging verstandig om niet te veel verwachtingen te hebben. Dat blijkt ook uit het recente proefschrift (The Best of Both Worlds? The Effects of Hybrid Democratic Innovations on Public Political Support) van de Twentse bestuurskundige Jelle Turkenburg. Hij onderzocht de effecten van burgerberaden en andere vormen van burgerparticipatie op het vertrouwen van burgers in de politiek. Zijn conclusie is opvallend nuchter en eigenlijk ook niet verrassend: participatie is geen wondermiddel. Het enkele feit dat inwoners mogen meepraten, leidt niet automatisch tot meer vertrouwen in overheid of politiek.
Sterker nog, Turkenburg constateert dat -in tegenstelling wat veel politieke partijen maar al te graag veronderstellen- de effecten van participatie op politiek vertrouwen vaak beperkt zijn. Burgers waarderen het meestal wel wanneer zij worden betrokken, maar dat betekent nog niet dat zij daardoor positiever gaan denken over bestuurders, gemeenteraden of de democratie als geheel. De verwachtingen die rondom participatie worden gewekt, zijn volgens zijn onderzoek regelmatig groter dan de daadwerkelijke resultaten.
Dat wetenschappelijk onderbouwde inzicht is ook voor Zoetermeer relevant. Wie regelmatig participatietrajecten volgt, ziet dat spanningen vaak niet ontstaan doordat mensen niet zijn gehoord. De teleurstelling ontstaat meestal wanneer inwoners denken dat zij mogen meebeslissen, terwijl achteraf blijkt dat de belangrijkste keuzes al vastlagen. Of wanneer zij uitgebreid hun ideeën hebben ingebracht, maar vervolgens nauwelijks terugzien wat daarmee is gebeurd.
Juist daar ligt volgens Turkenburg een belangrijke les. Participatie werkt beter wanneer vooraf duidelijk is welke invloed inwoners daadwerkelijk hebben. Zijn onderzoek laat zien dat mensen vooral waarde hechten aan een eerlijk en transparant proces. Duidelijke spelregels, representatieve deelname, goede informatievoorziening en een zichtbare terugkoppeling blijken belangrijker dan de vraag of iedereen uiteindelijk zijn zin krijgt.
Dat laatste antwoord is eveneens van belang. In onze democratie worden besluiten uiteindelijk genomen door gekozen volksvertegenwoordigers. Participatie kan die afweging verrijken, maar naar mijn mening nooit vervangen. De gemeenteraad heeft immers de taak om alle belangen tegen elkaar af te wegen, ook die van inwoners die niet deelnemen aan een participatietraject.
Dat vind ik de meest waardevolle boodschap in het onderzoek van Turkenburgs onderzoek. Participatie werkt het best wanneer zij niet wordt gepresenteerd als een -laat staan dè- oplossing voor afnemend vertrouwen of maatschappelijke verdeeldheid. Het is een nuttig instrument om kennis, ervaringen en ideeën op te halen, mits helder is wat ermee gebeurt. En dat klinkt misschien minder ambitieus dan sommige voorstanders zouden wensen. Maar juist realistische verwachtingen wekken en waarmaken vormen vaak de beste basis voor vertrouwen. Ook in Zoetermeer.
Deze column geeft de mening van Rob Duiven weer en niet het standpunt van de (fractie van de) Zoetermeerse VVD