Er wordt vaak gezegd dat een gemeenteraad een afspiegeling van de samenleving zou moeten zijn. Het klinkt sympathiek en democratisch: alle stemmen en geluiden aan tafel, van jong tot oud, van praktisch tot theoretisch opgeleid, van brede ervaring tot frisse blik. Maar soms bekruipt je de gedachte dat het misschien andersom zou moeten zijn: dat de samenleving een afspiegeling van de raad zou mogen zijn. Niet omdat raadsleden beter zouden zijn, maar omdat bepaalde klassieke deugden die in het lokaal bestuur nog standhouden, maar in het maatschappelijk verkeer soms schrikbarend onder druk staan.
In raadzalen wordt stevig gedebatteerd. Meningsverschillen zijn soms scherp en de belangen groot. Maar zelfs in verhitte discussies blijft er doorgaans iets overeind dat in het publieke domein steeds schaarser lijkt: wederzijds respect. Natuurlijk, er worden politieke speldenprikken uitgedeeld en het debat op het scherpst van de snede gevoerd. Maar het gebeurt zonder stenen door de ruiten, zonder bedreigingen via sociale media, zonder het bekladden van gebouwen of het intimideren van publieke ambtsdragers. Juist dat maakt de vergelijking zo pijnlijk wanneer we naar buiten kijken.
Waar ooit het gesprek de norm was, lijkt soms op sommige maatschappelijke dossiers de polarisatie uitgegroeid tot een permanent decor. Discussies over bijvoorbeeld opvang van vluchtelingen, klimaat, mobiliteit of ruimtelijke ontwikkelingen worden soms vergezeld door grof taalgebruik, bedreigingen of vernielingen. Het is alsof het idee van democratische omgangsvormen, geworteld in luisteren, argumenteren en accepteren dat de ander ook een punt kan hebben, langzaam uitdunt.
De raad kan daarin, paradoxaal genoeg, functioneren als de laatste plek waar die omgangsvormen nog vrij vanzelfsprekend zijn. Nogmaals, niet omdat wij als raadsleden heiligen zijn, maar omdat het ambt ons. dwingt om met discipline, structuur en procedure te werken. Je spreekt uit, je luistert, je wacht je beurt af, je stemt. Terwijl buiten de deur soms de verleiding groot is om in één klap je gelijk af te dwingen door te schreeuwen, te blokkeren of te vernielen.
Misschien zouden we ons vaker moeten afvragen of die oude democratische praktijk, het geduld, de hoffelijkheid, de bereidheid om naar argumenten te luisteren, niet juist is wat de samenleving méér nodig heeft. Kortom, het voorleven over hoe je verschillende standpunten kunt wisselen. De klassieke mores die in veel gemeenteraden nog overeind staan, zijn daarmee wat mij betreft geen ouderwetse franje, maar voorwaarden voor een ordentelijke samenleving. Als het gesprek verdwijnt, blijft alleen de confrontatie over. En wie eenmaal de stap naar intimidatie zet, zet de deur open naar een nog donkerder escalatie.
Daarmee wordt wellicht de veelgehoorde eis dat de raad een ‘afspiegeling’ moet zijn een stuk minder eenduidig. Natuurlijk moet de raad representatief zijn en oog hebben voor alle groepen in de stad. Maar er is ook iets anders nodig: dat de samenleving de waarden die in het lokaal bestuur nog vanzelfsprekend zijn, terug omarmt. Dat meningsverschillen worden ‘uitgevochten’ met woorden, niet met geweld. Met overtuiging, niet met vernieling.
Het zou naar mijn mening een geruststellende gedachte zijn als de samenleving op dat punt weer wat meer op de raad zou lijken. Misschien is dát wel de spiegel die we vaker zouden moeten durven voorhouden.
Deze column geeft de mening van Rob Duiven weer en niet het standpunt van de (fractie van de) Zoetermeerse VVD