De asielproblematiek in Nederland is inmiddels zo hardnekkig geworden dat bijna niemand nog gelooft in snelle oplossingen. Opvanglocaties lopen vol, gemeenten raken verdeeld, procedures slepen jaren voort, terugkeer stokt en het maatschappelijk draagvlak staat onder druk. Premier Jetten spreekt inmiddels van een ‘asielcrisis’. Maar ondertussen blijft één fundamentele vraag opvallend onderbelicht: draagt het huidige Vluchtelingenverdrag zelf misschien bij aan het structureel vastlopen van het asielsysteem?
Die vraag stellen is geen aanval op vluchtelingen. Evenmin is het een pleidooi voor gesloten grenzen of het afschaffen van internationale bescherming. Maar het is wel een legitieme vraag die naar mijn opvatting gesteld moet kunnen worden. Juist omdat het debat vaak vastloopt tussen morele verontwaardiging enerzijds en politieke simplificatie anderzijds.
Om die vraag te beantwoorden, moet eerst worden teruggekeerd naar de historische context waarin het verdrag ontstond. Het Vluchtelingenverdrag van 1951 kwam voort uit de schaduw van de Tweede Wereldoorlog. Europa had gezien wat er gebeurt wanneer staten vervolgde mensen geen bescherming bieden. Joden die nergens terecht konden. Politieke dissidenten zonder rechten. Miljoenen ontheemden in een verwoest continent. De centrale gedachte was helder: nooit meer mag iemand worden teruggestuurd naar vervolging, onderdrukking of de dood.
Maar de wereld van 1951 is niet de wereld van vandaag. Het verdrag ontstond in een tijd van meer geografisch en politiek afgebakende vluchtelingenstromen, beperkte internationale mobiliteit en veel kleinere verzorgingsstaten. Asiel draaide vooral om herkenbare politieke vervolging. De huidige werkelijkheid is echter fundamenteel anders. Massacommunicatie, mondiale migratieroutes, mensensmokkel, hybride oorlogen, falende staten en enorme economische verschillen maken migratie tot een permanent mondiaal verschijnsel.
En daar wringt het volgens mij. Het huidige systeem is nog steeds grotendeels gebouwd op individuele procedures uit een andere tijd. Wie eenmaal Europees grondgebied bereikt en een asielverzoek indient, krijgt toegang tot een juridisch traject dat vaak jarenlang duurt. Zelfs na afwijzing blijkt terugkeer regelmatig nauwelijks uitvoerbaar. Daarmee ontstaat een systeem dat juridisch zorgvuldig wil zijn, maar bestuurlijk steeds moeilijker beheersbaar wordt.
Dat betekent naar mijn overtuiging niet dat het Vluchtelingenverdrag de oorzaak is van alle problemen. Woningnood, trage procedures, gebrekkige Europese samenwerking en falend terugkeerbeleid spelen minstens zo’n grote rol. Daarbij gaat het overigens niet alleen om het Vluchtelingenverdrag zelf, maar ook om het bredere Europese mensenrechten- en asielkader dat zich daar in de decennia daarna omheen heeft ontwikkeld. Maar het is volgens mij evenmin houdbaar om te doen alsof een juridisch kader uit 1951 zonder meer aansluit op de geopolitieke werkelijkheid van de 21e eeuw.
Daar wordt terecht internationaal al langer impliciet aan gewerkt, zonder het verdrag zelf formeel open te breken. Juist omdat het verdrag binnen het internationale recht bijna een constitutionele status heeft gekregen, zoeken staten naar manieren om de praktische werking ervan aan te passen aan de huidige tijd. De Europese Unie werkt aan snellere grensprocedures, verplichte registratie en sterkere terugkeerafspraken. Elders wordt geëxperimenteerd met regionale opvang, veilige derde landen en tijdelijke beschermingsconstructies. Het verdrag wordt niet afgeschaft, maar via aanvullende bestuurlijke en juridische constructies aangepast aan nieuwe omstandigheden.
Vrijwel niemand wil openlijk tornen aan de morele kern van het verdrag, maar tegelijk proberen veel landen de impact ervan bestuurlijk beheersbaar te maken. Niet omdat bescherming overbodig is geworden, maar omdat een systeem uit 1951 steeds moeilijker functioneert in een wereld van mondiale migratiedruk. Mijn conclusie is daarom niet dat het Vluchtelingenverdrag moet verdwijnen, maar dat het voortvarend moet worden herijkt. Dat is geen luxe maar bittere noodzaak om een effectief en gedragen vluchtelingenopvang mogelijk te houden. Want zonder draagvlak houdt bescherming uiteindelijk ook geen stand.
Deze column geeft de mening van Rob Duiven weer en niet het standpunt van de (fractie van de) Zoetermeerse VVD