Er is een traditie in ons land die de afgelopen jaren steeds nadrukkelijker onder druk is komen te staan: het afsteken van vuurwerk rond oud en nieuw. Vaak wordt erover gesproken alsof het een eeuwenoud volksgebruik is, diep verankerd in onze nationale geschiedenis. Dat beeld verdient echter nuancering. Vuurwerk als fenomeen kent inderdaad een lange geschiedenis, maar het massaal zelf afsteken van consumentenvuurwerk door particulieren is pas in de tweede helft van de twintigste eeuw echt gemeengoed geworden. Met name vanaf de jaren zestig en zeventig, toen welvaart, beschikbaarheid en import toenamen, groeide dit gebruik uit tot wat we nu als ‘traditie’ kennen. In historisch perspectief is het dus een relatief jonge gewoonte.
Juist daar wringt het. Niet zozeer de traditie op zichzelf kwam ter discussie te staan, maar de manier waarop zij in de afgelopen decennia steeds verder uit de hand is gelopen. Knallen werden harder, vuurwerk klonk allang niet meer alleen rond middernacht, maar dagen ervoor en erna. In woonstraten waar ouderen rust zochten, in wijken waar huisdieren angstig wegkropen en bij hulpdiensten die zich jaarlijks moesten voorbereiden op een uitzonderlijke belasting. Tradities vragen, zeker wanneer zij nog jong zijn, om zorgvuldige omgang en duidelijke grenzen. Zonder die begrenzing verdwijnt het draagvlak waarop zij rusten.
Ik vind dat de vrijheid om zelf te bepalen hoe oud en nieuw wordt gevierd, een groot goed. Die keuzevrijheid past bij een liberale traditie waarin eigen verantwoordelijkheid centraal staat en waarin ruimte is voor verschillende manieren om een feestmoment te beleven. Juist daarom vraagt het beperken van die vrijheid om zorgvuldigheid en besef van wat daarmee wordt ingeleverd.
Maar de maatschappelijke gevolgen zijn inmiddels aanzienlijk. Rond de laatste jaarwisseling werd alleen al de verzekerde particuliere schade geschat op circa € 16 miljoen. Dat bedrag omvat echter niet de schade aan gemeentelijke eigendommen, de kosten van medische behandelingen, de inzet van hulpdiensten en het opruimwerk in de openbare ruimte. Hoewel er geen officiële landelijke totaalraming bestaat die al deze posten samenbrengt, wijzen verschillende deelcijfers erop dat de totale maatschappelijke kosten aanzienlijk hoger liggen en structureel van omvang zijn. Dat patroon herhaalt zich jaar na jaar en legt een zware last op samenleving en publieke voorzieningen.
Het maatschappelijke debat verschoof daardoor onvermijdelijk. Waar het ooit ging over de schoonheid van siervuurwerk en het gezamenlijke aftellen naar een nieuw jaar, kwam de nadruk steeds meer te liggen op letsel, schade en openbare orde. Ziekenhuizen houden al jaren rekening met extra drukte rond de jaarwisseling; ernstige verwondingen, waaronder blijvend letsel, keren telkens terug in de statistieken. Nieuwjaarsochtenden waarop straten vol afval en vernielingen liggen, versterken het beeld van een feest dat zijn onschuld is kwijtgeraakt.
Als we deze traditie hadden willen behouden, dan hadden we naar mijn mening haar met meer terughoudendheid moeten koesteren. De vrijheid om zelf vuurwerk af te steken had kunnen blijven bestaan als zij gepaard was gegaan met maat en verantwoordelijkheid.
We staan nu op een kantelpunt. Na jaren van debat en oplopende zorgen wordt toegewerkt naar een landelijk verbod op het afsteken van consumentenvuurwerk door particulieren, dat naar verwachting bij een komende jaarwisseling van kracht wordt. Dat is geen abrupte breuk, maar het resultaat van een langdurig proces waarin waarschuwingen en signalen onvoldoende zijn opgevolgd. Het wrange is dat het hier gaat om een relatief jonge traditie, een traditie die mogelijk toekomst had gehad als haar grenzen minder vaak waren overschreden.
Toch hoeft dit verhaal niet in mineur te eindigen. Juist omdat duidelijk is dat een einde nadert, ligt er naar mijn mening een kans om te laten zien hoe het ooit bedoeld was: met plezier, met maat en met respect voor elkaar en elkaars eigendommen. Een jaarwisseling die draait om samen het nieuwe jaar verwelkomen, niet om wie het hardst klinkt. Laten we ervoor zorgen dat deze laatste fase waardig wordt afgesloten. Laten we die laatste keer niet verknallen.
Deze column geeft de mening van Rob Duiven weer en niet het standpunt van de (fractie van de) Zoetermeerse VVD