In maart van dit jaar schreef ik in mijn column over de financiering van kunst en cultuur en had het onder meer over ‘cultureel ondernemerschap‘. Dat begrip klinkt misschien zakelijk of beleidsmatig, maar het raakt aan een veel fundamenteler vraag: hoe geven we kunst en cultuur in onze samenleving vorm? Cultuur wordt vaak gezien als iets dat van ons allemaal is, een publieke waarde die we gezamenlijk koesteren en financieren. Tegelijkertijd verwachten we van culturele instellingen dat ze zelfstandig hun publiek weten te vinden, samenwerkingen aangaan en eigen inkomsten genereren. Die spanning is niet nieuw. Het gesprek over cultuur beweegt al decennia heen en weer tussen twee polen: aan de ene kant de overtuiging dat kunst ons verheft, verbindt en inspireert, en daarom bescherming verdient . En aan de andere kant de roep dat cultuur ook relevant moet zijn voor een breed publiek en dus resultaten moet laten zien. Precies in dat spanningsveld ontstaat in mijn visie cultureel ondernemerschap.
Wie denkt dat cultureel ondernemerschap alleen over financiën gaat, mist wat mij betreft de essentie. Natuurlijk, eigen inkomsten tellen mee. Maar minstens zo belangrijk is de houding die erbij hoort: durf om risico’s te nemen, creativiteit in het vinden van samenwerkingen, en het vermogen om je aan te passen aan veranderende omstandigheden. De geschiedenis leert volgens mij dat kunstenaars altijd al ondernemers waren. Rembrandt had zijn eigen atelier en verkocht zijn werk wereldwijd. Mozart leefde van opdrachten en concerten. En uit onze eigen tijd zijn Joop van der Ende (Stage Entertainment), Daan Roosegaarde (Studio Roosegaarde) en het Oerol Festival goede voorbeelden hoe cultureel ondernemerschap wordt ingevuld. Cultureel ondernemerschap is dus geen bedenksel van beleidsmakers of neologisme, maar een traditie die naar mijn overtuiging diep in onze kunstgeschiedenis verankerd ligt.
Daarbij is naar mijn mening de rol van de overheid op de inhoud bescheiden maar tegelijkertijd onmisbaar. Cultuur is geen gewoon product: het is vaak kwetsbaar, niet altijd of makkelijk toegankelijk en zelden vanaf de start rendabel. Daarom zijn soms publieke middelen nodig. Zonder steun zouden genres als klassieke muziek, toneel of beeldende kunst eenvoudigweg verdwijnen. Ik vind dat subsidies daarbij nooit een hangmat mogen zijn, hooguit een springplank. Het stelt instellingen, verenigingen en individuele cultuurmakers in staat om risico’s te nemen, te experimenteren en een breed publiek te bereiken. In mijn eerdergenoemde column over de financiering van kunst en cultuur noem ik dit de ‘katalysator-functie’. En daar mag best wat ondernemerschap tegenover staan. Wie publieke middelen ontvangt, heeft ook de verantwoordelijkheid om zich open te stellen, samen te werken en relevant te blijven.
De echte uitdaging zit dus in de balans. Leg je te veel nadruk op rendement, dan verschraalt het aanbod en zie je vooral blockbusters en musicals. Leg je te veel nadruk op subsidie, dan dreigt zelfgenoegzaamheid. Cultureel ondernemerschap betekent volgens mij juist dat je voortdurend de brug slaat: tussen traditie en innovatie, tussen markt en overheid, tussen publiek en makers.
Een lokaal voorbeeld. Neem het Stadstheater. Dat speelt een centrale rol in onze stad, maar kan alleen toekomstbestendig zijn als het voortdurend innoveert. Nieuwe publieksprogramma’s, vraaggericht programmeren, samenwerking met scholen en verenigingen en een flexibel aanbod zijn noodzakelijk. Het theater moet méér zijn dan een gebouw: Het moet een plek zijn waar de stad zichzelf ontmoet. Datzelfde geldt natuurlijk ook voor poppodium De Boerderij en het CKC, maar er zijn er meer voorbeelden in Zoetermeer te noemen.
Zoals misschien wel een van de duidelijkste voorbeelden van cultureel ondernemerschap in onze stad, het Videogamemuseum. Wat begon als passie van verzamelaars is uitgegroeid tot een nationaal instituut, dat niet alleen uit binnen- en buitenland bezoekers trekt maar ook educatie biedt aan jongeren en verbinding zoekt met bedrijven uit de creatieve sector. Zulke initiatieven laten zien dat cultuur en ondernemerschap hand in hand kunnen gaan.
Daarnaast hebben we in Zoetermeer een rijke traditie van amateurkunst: koren, toneelverenigingen, muziekgezelschappen etc.. Die vormen de ruggengraat van het culturele leven. Juist daar is het belangrijk dat de gemeente drempels wegneemt: betaalbare repetitieruimtes, goede samenwerking met scholen, en ruimte om zichtbaar te zijn op evenementen. Hier zie je hoe lokale politiek het verschil kan maken door praktische voorwaarden te scheppen in plaats van ingewikkelde regels op te leggen.
En dan de evenementen. Denk aan het Culinair Zomerfestival, het Bevrijdingsfestival of de vele buurtactiviteiten. Ze trekken duizenden bezoekers, versterken de lokale economie en zorgen voor samenhang in de stad. Wat mij betreft is het uitgangspunt dat de gemeente ruimte moet geven aan dit soort initiatieven, in plaats van ze te verstrikken in een woud van vergunningseisen. Het gaat er niet om méér regels te bedenken, maar juist om bestaande obstakels weg te nemen en ondernemers, verenigingen en vrijwilligers te vertrouwen.
Kortom, cultuur moet gedragen worden door de samenleving, niet verstikt door bureaucratie of volledig afhankelijk van subsidies. Dat betekent dat we naar mijn mening initiatieven uit de stad zelf zouden moeten stimuleren. Samenwerking met bedrijven en maatschappelijke organisaties bevorderen. Ons ervoor inzetten dat publieke middelen vooral worden gebruikt om drempels weg te nemen en kansen te creëren, bijvoorbeeld door jongeren of nieuwkomers in aanraking te brengen met kunst en door amateurkunst zichtbaarheid te geven, zoals ik ook in maart heb gepropageerd.
Cultureel ondernemerschap is daarmee ook een politieke keuze: geloof je dat cultuur top-down door de overheid moet worden gestuurd, of geloof je dat het juist van onderop moet groeien en bloeien? Ik kies voor dat laatste. ‘Cultureel ondernemerschap’ is daarbij geen keurslijf, maar een uitnodiging. Het vraagt van kunstenaars en instellingen om in beweging te blijven. Van de overheid vraagt het om steun te geven waar nodig, maar vooral ook om ruimte te laten voor initiatief. En van ons als samenleving vraagt het om cultuur niet alleen te zien als kostenpost, maar als investering in kwaliteit van leven.
Deze column geeft de mening van Rob Duiven weer en niet het standpunt van de (fractie van de) Zoetermeerse VVD