Vorig jaar november schreef ik in mijn column over cultureel ondernemerschap. Mijn uitgangspunt: kunst en cultuur bloeien dankzij mensen die initiatief nemen, publiek zoeken en samenwerking aangaan. De gemeente heeft daarbij een bescheiden, maar onmisbare rol. Zij moet voorwaarden scheppen, drempels wegnemen en ondersteunen waar dat nodig is. Met die gedachte heb ik de Zoetermeerse begrotingsplannen voor kunst en cultuur voor 2027 en de jaren daarna gelezen.
Er is naar mijn mening reden voor voorzichtig optimisme. Het Nationaal Videogame Museum krijgt zijn definitieve plek aan het Stadhuisplein. De klimaatproblemen bij het CKC worden aangepakt en de werkzaamheden aan het Stadstheater afgerond. Ook erfgoed krijgt aandacht. Dat zijn belangrijke voorzieningen voor een stad die meer wil bieden dan woningen, winkels en wegen. Goede huisvesting geeft culturele organisaties de mogelijkheid hun werk te doen.
Minstens zo hoopvol vind ik de jaarlijks beschikbare € 60.000 voor kleine culturele initiatieven en € 20.000 voor nieuwe evenementen. Daar liggen kansen voor cultuur die vanuit de stad zelf ontstaat. Een koor met een bijzonder concert, een samenwerking tussen cultuurmakers, een festival dat eens iets anders probeert. Juist zulke initiatieven geven een stad kleur.
Ook het voornemen om buurtactiviteiten eenvoudiger te maken en organisatoren beter te helpen, spreekt mij aan. Wie vrijwillig iets voor zijn buurt organiseert, moet zijn energie vooral aan die activiteit kunnen besteden. Een gemeente die vertrouwen geeft en praktisch meedenkt, kan met betrekkelijk weinig geld veel mogelijk maken.
Maar plannen zijn nog geen resultaten. Over culturele broedplaatsen wordt opnieuw gesproken. De vraag blijft waar makers daadwerkelijk terechtkunnen, tegen welke huur en met hoeveel zekerheid. En wanneer gebouwen worden verbeterd, wil je ook weten welke nieuwe mogelijkheden dat oplevert voor verenigingen, scholen, cultuurmakers en publiek.
Daarbij mogen we best iets van culturele instellingen verwachten: nieuwe bezoekers aanspreken, samenwerken en blijven vernieuwen. Zonder alles af te meten aan kaartverkoop. Een klein toneelgezelschap of een eigenzinnig filmprogramma kan grote waarde hebben, ook als de zaal niet iedere keer uitverkocht is. Dat spanningsveld hoort bij cultuur.
De begroting geeft dus aanknopingspunten voor een levendiger cultureel Zoetermeer. De richting spreekt mij aan. Nu komt het aan op de uitvoering: merkt de maker dat er ruimte ontstaat, merkt de vrijwilliger dat het eenvoudiger wordt en vindt de inwoner iets wat hem raakt? Want: ‘The proof of the pudding is in the eating’. Voor cultuur geldt dat misschien nog sterker: je moet haar kunnen maken, bezoeken en meemaken.
Deze column geeft de mening van Rob Duiven weer en niet het standpunt van de (fractie van de) Zoetermeerse VVD